16-08-10

Schoon Schip nr 3 / 2010

 

Victoria Rojas Milesi met een impressie over de aardbevingen in Chili, Bernard Schut ziet 'Mexico door Nederlandse ogen', Ellen de Jong bezoekt Bernard Dewulf (winnaar van de Libris Literatuurprijs 2010), Thierry Deleu bespreekt de bundel 'Wolken en ankers' van Hannie Rouweler, Raymond ten Berge licht een sluier op over 'Margaretha in Lieshorn'.

Gedichten van Denizé Lauture (vertaling Christina Guirlande), Anna de Bruyckere, Johanna Kruit, Catharina Boer, Jan Visser, Guy Commerman, Gronama, Deen Engels, Cleynhens Robert, Bote de Jong.

Verhalen van Lenny Peeters, René Hooyberghs, Harm Stapert, Niels Hav, Frans H. Venema.

Beeldende kunst van Suzanne De Bie, Pierre-Pol Lecouturier, Alfred Krans, Ad Breedveld.

Cover van Georgette van Noppen.

  

DE BELIJDENIS VAN DE STILTE

En in dat oneindige land, waar hij zoveel van hield, stond hij geheel alleen.” (Camus)

Ik loop langs het strand van de Stille Oceaan, er is niemand op het strand, wat vogels langs de vloedlijn, wat meeuwen in de lucht. De avond tevoren heb ik voor mijn ogen iemand zien vermoorden. De stilte die vroege ochtend is overweldigend.

Een zelfde ervaring heb ik in Joegoslavië, ergens langs de autoput. Het is begin jaren zestig, de aardbeving bij Skopje heeft zojuist plaatsgevonden, en we zijn op weg naar Griekenland. De rit duurt lang, extra lang omdat we van de toch al niet zo beste weg worden omgeleid over secundaire wegen, en het is bloedwarm. Wanneer je uren achtereen autorijdt, raak je in een soort roes, geïsoleerd van de wereld om je heen. Er zijn teveel beelden die voorbij flitsen en er is teveel lawaai. We besluiten om een kleine pauze te houden. Het is de tijd van de siësta en er zijn weinig auto’s te bekennen. We stoppen bij een kleine parkeerplaats langs de weg en we stappen zwijgend uit, duizelig van de rit en door de hitte, die als een moker op ons neerkomt.

Toen hoorde ik bij de rivier, die ik in de verte door het land zag stromen, het enkele geluid van een fluit. Een schaapherder bij zijn kudde. Het aarzelende, breekbare geluid van een fluit. Zó subtiel. Voor een moment ben je geheel alleen en ervaar je de stilte.

Camus heeft een verhaal geschreven over een overspelige vrouw, waarin het overspel eruit bestaat dat de vrouw ’s avonds haar hotel verlaat en een dergelijke natuurervaring beleeft als ik hierboven beschreef. Het verhaal speelt in het Atlasgebergte.

Je moet misschien ver gaan om een plek te vinden waar het volledig stil is. De zee, de randen van een continent, de bergen, de steppen (om ’t krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen, Slauerhoff), de woestijn. Stilte, zoals duisternis en ruimte of leegte, wordt een schaars artikel.

Ik lig op mijn rug naast mijn tent in de Namibian desert, het kampvuur brandt, en ik kijk omhoog naar de ontelbaar vele sterren die flonkeren als diamanten in de donkerblauwe sterrenhemel, de stilte ruist, een enkele keer onderbroken door het geluid van een wild dier.

 

FRISIA NON CANTAT

Vroeger werd er nog gezongen, in huis en op straat. Toen ik op de middelbare school zat, had ik een wiskundeleraar die vlak bij school woonde. Vaak liep hij luidkeels zingend naar school. Helemaal gewoon vonden de mensen dat niet, maar echt gek, dat toch ook weer niet.

Nog vroeger, toen ik nog op de lagere school zat, de jaren veertig van de vorige eeuw was dat, had je nog straatzangers. Wij woonden in Den Haag op de derde verdieping. Mijn moeder mikte dan als dank uit het raam een muntstukje naar beneden. Meestal was de man beneden op straat behendig genoeg om het op te vangen. Miste hij dan liep hij mopperend verder.

Ook bij ons thuis werd vaak gezongen. Mijn vader had een mooie stem en wilde dat graag weten.

Als kinderen zongen wij ook zelf en zeker ook op straat. Hoe zou ik anders nog straatliedjes uit mijn hoofd kennen? Op school leerde je die niet en thuis waren ze verboden. Een ervan wil ik hier maar vastleggen, het zou immers zonde zijn als deze pure volkspoëzie verloren ging.

De eerste was een jongen

De tweede was een meid

De derde kon niet lopen

En de vierde had geen tijd

De vijfde was te mager

De zesde was te dik

En de zevende had de benen

Van de achtste ingeslik(t).

 

Gevolgd door het alom bekende

Ouwe taaie jippie, jippie, jeeheehee

Ouwe taaie jippie, jippie, jee

Ouwe taaie jippi, jippie, jeeheehee

Ouwe taaie jippie, jippie, jee.

Niet echt een verrassende tekst natuurlijk, maar wel een aardige meezinger. Het gebruik van herhaling, maar dan het ritmisch gedreun, is trouwens ook een kenmerk van veel popmuziek . En het is eveneens een kenmerk van klassieke muziek, de symfonie Aus der neuen Welt van Dvorak om één voorbeeld te geven, maar er zijn er talloze te noemen. Dit echter terzijde.

Het duurde daarna tot de militaire diensttijd voor er weer eens uit volle borst gezongen kon worden. Natuurlijk vooral drinkliederen. Een genre dat, mits in de middeleeuwen geschreven, tot de literatuur wordt gerekend.

Hee, laat ons drinken en klinken,

en laat ons maken de dubbele haan,

mijn keeltje moet wijntjes drinken,

al zouden mijn voeten barrevoets gaan.

En niet alleen tot de Nederlandse literatuur, ook bijvoorbeeld de bundel Carmina Burana uit de twaalfde eeuw bevat kroegliedjes:

’t Staat geschreven dat ik eens

sterf in de taveerne,

aan mijn mond een beker wijn,

op mijn knie een deerne…

Dat waren nog eens tijden!

Vooral tijdens lange marsen werd er gezongen. Het bekendere Twee glaasjes jenever, die keken de jager aan naast het minder bekende maar minstens zo sterke Ben je besodemieterd Jan, je komt er vanavond niet meer an. Let wel, een drinklied.

Ik herinner me uit mijn diensttijd ook nog een merkwaardig rebels lied met de regels

…maar eenmaal komt de dag

dat ik het leger zal verlaten,

vervloekt zij ’t regiment,

lang leve de soldaten …

Op straat hoor je eigenlijk zelden meer zingen. Zelfs fluiten wordt zeldzaam. Wanneer je het hoort, kijk je verbaasd om: hoorde ik echt iemand zingen, floot daar werkelijk iemand? Op een bouwplaats hoor je nog wel eens een bouwvakker spontaan in een lied uitbarsten. Meestal een paar regels, dan stokt het alweer, rest van de tekst onbekend.

We zijn denk ik domweg minder vrolijk geworden. Te veel haast, te veel lawaai om je heen, te veel ergernis, te veel solisme. En ook al die Engelse songs. Gezongen wordt er alleen nog in de stadions of tijdens de Vierdaagse. En anders moet je naar de kerk of de kroeg.

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus wist het al: Frisia non cantat, in Holland daar zingen ze niet.

Bernard Schut

 

 

 

 

18:05 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-06-10

GORCUMSE LITERATUURWEDSTRIJD 2008-2009

Het thema was 'levenslicht'.

De genomineerden waren, in willekeurige volgorde:

voor de poëzieprijs:
W.A. Fraikin, Amersfoort
Jan Vissers, Assen
Ludo Colman, Sint-Niklaas
Annake Wasscher, Leek
Gerrit Pleiter, Oldebroek
Gronama, Groningen
Rob Boudestein, Hollandscheveld

voor de prozaprijs:
Elke Sannen, Kessel-Lo
Hein van der Schoot, Wezep
Joris Denoo, Heule
Mike Van Acoleyen, Ingelmunster
Eline Paredis, Heverlee
Jan Durk Tuinier, Ede

voor de algemene prijs Gorcum en omstreken:
Sanne Leysen, Gorinchem
Dineke van Gemert, Dordrecht

De winnaars:

Poëzie: Anneke Wasscher
Proza: Mike Van Acoleyen
Gorcum en omstreken: Sanne Leysen

17:48 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

04-05-10

Schoon Schip nr 2 / 2010

 
Alfred Krans brengt verslag van een tocht langs boekhandels, antiquariaten en muziekwinkels. Surfen op het internet leverde hem eveneens verrassende resultaten op!
Raymond ten Berge duikt het verleden in en stelt zich de vraag 'Stond een hunenbed in een schuur?', eens te meer een spraakmakende bijdrage met eigenzinnige ideeën en stellingen.
Poëzie is ruimschoots aanwezig: gedichten van Jan Holtman, Francis De Preter, Jolanda Verleg, Astrid Dewancker, Harry M.P. Van de Vijfeijke, Leo van der Sterren, Willem M. Roggeman (vertaling), Karel Wasch, Ad Breedveld, Hans Kilian. Roger Nupie bespreekt de bundel 'Een reis langs rood en wit' van Hannie Rouweler.
Korte verhalen kan u lezen van Bernard Schut, Han Messie en Jaap Versteegh en de rubriek beeldende kunsten wordt ingevuld door Ruud Mast, Ellen de Jong (over Kitty Warnawa en Hesther van Doornum) en Margrethe Venema (over Pepe Gregroire).
Gedachten en notities van Johanna Kruit die betrekking hebben op de uitreiking van de Koninklijke Prijs der Nederlandse letteren 1998.
Marianne Hugaert; het 'Levenslicht langs de Vaart in Assen (foto's).
Waar velen naar uitkijken: de uitslag van de Gorcumse literatuurwedstrijd 2008-2009.

Hoe bestellen en/of abonnee worden vindt u in de rechterkolom.

14:50 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

19-04-10

DE DROOM

 

© Margrethe Venema

Ik zou zo graag door ogen willen kijken
vanuit de oudheid over het landschap van geschiedenis
waarin wij noodzakelijkerwijze gevormd zijn
en in het hier en nu met kleurige brillen op onze neus
vergeten zijn hoe de wereld er vroeger uitzag.

Ik zou zo graag met andere ogen willen kijken
vanuit de vergeten visionair, de verdroomde verlichte
vanuit het goddelijk geloof van mijn jeugd,
of vanuit een oude vrouw die op haar leven terugkijkt
niet zo door mij zelf bepaald en liever vanuit de eeuwigheid.
Ik wou dat ik voor altijd nieuw was

Er knaagt voortdurend iets aan mij, namelijk dat ik alleen als ik droom, zie wat ik zou willen zien. Hoewel ik in de loop der tijd veel mooie beelden heb verzameld, irriteert het mij dat ik geen mogelijkheid heb om als god van het universum vanuit vogelvluchtperspectief de wereld te overzien om, zo stel ik mij voor, vervolgens opgelucht in lachen uit te barsten om het voortdurend heen en weer klotsen van ideeën op de golven van de tijd, waarin mensen en massa’s op ontwikkelingen die juist in hun leven de revue passeren, anticiperen.
Sinds ik mijn van god en ouders gegeven geloof kwijt ben, waarin de mens toch al zo nietig was, zie ik pas echt in hoe beperkt de mens is. De behoeftige mens heeft een kader nodig, een bril of soms een koffer vol kijkers, waardoor hij alles wat hij tegenkomt een betekenis in het geheel kan geven, of dat geheel nu de grote wereld is, waarin een individu zich wil profileren of uit een huiskamer en de dagelijkse terugkerende thuiszorg bestaat.
De ouderling had nog zo gezegd dat als je het geloof vaarwel zegt, je wel eens in een zwart gat zou kunnen vallen en mijn wijze vader had mij nog zo gewaarschuwd voor de vervreemding. Ik weet nog dat tijdens de verrukkelijke val van mijn geloof het woord “absurd” geregeld door mijn hoofd banjerde. Hebben wij mensen ideeën nodig om ons tegen de leegte te beschermen, of gaat het hier om de gedachte uit de moderne tijd dat het scheppen van orde in de chaos een existentiële behoefte is? Ideeën of andere invulling; wij moeten ons leven vormgeven.
Misschien streven we er sinds de teloorgang van de grote verhalen naar te kunnen leven zonder vastigheid of laten we ons net als onze voorouders dat ook al deden de zekerheden van het bestaan van buitenaf opleggen door ons op ons werk of gezin te storten, en anders wel in de drank. Misschien voelen we ons pas veilig als wij ons als druppel in de stroom loslaten. De oude filosoof Heracleitos hield ons al voor dat “alles stroomt”, een gedachte die ons postmodernisten wellicht goed van pas kan komen!
Voor een bepaalde tijd in mijn leven heb ik over de schouder van een vijftiger meegekeken die waarheid als een nostalgisch begrip zag. Tot de dag van vandaag wacht hij op een mystieke ervaring, zoals hij die in zijn jonge jaren in de branding van zijn leven beleefd had. Naar zijn zeggen betrof het een onzeglijk groot geluk waarin alles glashelder was en hij met de wereld samenvloeide. Hij vertelde mij dat hij dacht dat hij nu niet open genoeg meer was om iets dergelijks te ervaren en vreesde dat dat met zijn leeftijd te maken had. Aanvankelijk dacht ik dat hij een romanticus was, wat mij in hem aansprak. Later zag ik hem als een realist die zich toestond te dromen om zichzelf zo in stand te kunnen houden. Wij kunnen niet zonder dromen, zei hij.
Een andere vijftiger had het probleem van zijn bestaan opgelost door een kasteel te bouwen als de mosterdboom uit de verbeelding van mijn jeugd, waarin alle vogelen des hemels zich nestelden. Hij hield veel van feesten, maar voelde zich nadien gebroken, alsof er toch iets mis was gegaan. Hij vertelde mij dat hij de ideeën had willen uitsluiten, omdat die alleen maar ruzie opleverden. Ik dacht dat hij een van de vijftigers was die op wereldvrede uit was. In zijn jeugd was er veel gebakkeleid en ging het er nog om je gelijk te halen. Dat, zei hij mij, was net zo slopend geweest als het leven voor louter genot.
Een derde vijftiger in mijn leven vertelde mij over het belang van risico nemen. Hij was van mening dat als je eenmaal ontdekt hebt dat alles onzeker is, je je die onzekerheid maar beter kan toe-eigenen. Hij was een Don Juan, die alles wat hij aan vrouwenarmen ontdekte ook weer losliet. Misschien zocht hij zijn perfecte tegendeel, maar in het besef dat hij iets onmogelijks wenste. Misschien gebruikte hij de elementen als kaatsenballen, waarbij hij het spel tot levensmotto verhief en elke maatschappelijke waarheid met een korreltje zout nam.
Ik dacht dat hij graag wilde uitblinken en dat hij daarom zo trouw de sportschool bezocht.
Voor mij persoonlijk is het een waarheid als een koe dat mensen niet in staat zijn absurditeit te accepteren. Ik geloof niet dat de naakte wereld leefbaar is voor mensen, tenzij je voor altijd zou kunnen vallen. Mensen kleden hun leven hoe dan ook aan en verbergen hun naaktheid angstvallig, zoals Adam en Eva dat ook al deden, toen ze het paradijs achter zich lieten.
Het leven moet hanteerbaar zijn. Aangezien het zonneklaar is dat mensen willen leven, is hanteerbaar in deze misschien hetzelfde als zinvol. De grip verliezen is vermoedelijk het ergste wat een mens overkomen kan. Het is als het grote zwarte gat, waarvoor kinderen gewaarschuwd worden als ze van het rechte spoor af dreigen te gaan, het gat waar je geen bodem in ziet. Gelukkig maar dat je kunt zien wat je wilt als je je ogen dicht doet, ook als je valt. Zalig ben je toch als je je aan een nieuw geloof kan overgeven of in de flow van alledag mee kan reizen.

Het knaagt nog steeds aan mij dat ik alleen als ik droom, zie wat ik zou willen zien.
Ik zie een boom met zijn wortels naakt in een wilde rivier. Het water stroomt wild als mensen in een winkelstraat in december. Ik zit met mijn rug tegen de boom waarin zich vanzelfsprekend vogels en andere kleine dieren nestelen.
Ik heb het beeld niet van mijzelf, maar van de televisie. Het komt uit een programma waarin het leven van de mens in beeld gebracht werd, van foetus tot kind tot volwassene tot oude van dagen. Het beeld waar ik het over heb, kwam van een oude vrouw die vertelde dat ze wilde sterven aan de oever van de rivier waar ze als kind in gezwommen had en heeft zich op mijn netvlies vastgezet. Als ik na een lange dag zwoegen naar huis fiets, kijk ik naar de bomen en kom tot mijzelf. In de lente zie ik het jonge blad en wacht ik gespannen de eerste herfst af waarin zich de zaden massaal verspreiden. In de zomer verbaas ik mij over de volheid van leven, terwijl ik mij in de herfst over de laatste pronk verwonder. Als alle bomen kaal zijn zie ik hun silhouetten tegen de strakke winterhemel en realiseer ik mij hoe zeer zij in de aarde geworteld zijn en wachten op een nieuw begin. Als wij toch eens bomen waren die eens stil konden blijven staan!
Als ik mijn ogen dicht doe is het net alsof de wereld met zwoegen stopt en de wind gaat liggen. De mensen zijn het shoppen zat en gaan naar huis om zich bij de openhaard te verschansen. De kinderen lachen en ik huil inwendig van geluk omdat ik een van hen mag zijn.
Nu zitten wij bij de haard en in de zomer zit ik in het park tegen een boom terwijl de kinderen spelen. Ik zou mijn kinderen willen leren zien hoe onstuimig de rivier stroomt, maar ook hoe de boom zich te midden van de stroom staande weet te houden. Ik hoop dat zij leren te zien hoe wonderlijk alle dingen zijn en hoop dat zij hun ogen daarvoor niet hoeven te sluiten.
Wij zijn onderdeel van een groot mysterie. Op een dag, als je geen pasklare antwoorden meer nodig hebt, zet je je bril af en zal je misschien door de ogen van een oude vrouw kunnen kijken en je geluk beproeven.

17:57 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

22-02-10

Schoon Schip nr 1 /2010

 

Zeventiende jaargang!

Beeldende kunst, kortverhaal, poëzie, reisverslag...

Een kortverhaal van Niels Hav (vertaling Jan Baptist), Thierry Deleu bespreekt het boek van Frans Depeuter 'Het verborgen leven van Gerard Walschap', Ellen de Jong in gesprek met de talentvolle jonge kunstenares Elisa Pesapane waarvan we beeldend werk in eerdere nummers terugvinden.

Alfred Krans zet de spots op de Verkuno-kunstenaarsgroep die 10 jaar bestaat, het achterkantgedicht is van Job Degenaar. Beeldend werk van de in Chili geboren fotografe-kunstenares Victoria Rojas Milesi en poëzie van o.a. Chris Van Buggenhout, A.Samad Said (vertaling Tone Brulin), de Ier Brendan Kennelly, Bert Lema.

Verder nog: 'De spiegel van Berlijn', 'Inspiratie voor het vinden van rust', 'Schoorlse dagen'.

 

64 bladzijden op A4 formaat

19:03 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

01-02-10

SELECTIE POEZIE JAARGANG 2008

 
 
Blijf nog even

Het moet inkrimpen.
Nauwelijks zichtbaar zijn.
Het kleinste is wat men interesseert.

Men is groot. Men is niemand
met de stem van iedereen.

Het minuscule is wat blijft.
En blijft ontsnappen.
Druppels kwik die uiteenspatten.

Het minuscule blijft als het misschien.
'Wat blijft stichten de dichters,'
zei Hölderlin.

Jannah Loontjens



Volstaan

Dit onthouden:
de melkkleur van haar enkels
verheven boven schuin gesleten
hakken, de krul rond haar scheve mond.

Dit onthouden is vlees, dit zicht
de binnenkant van tijd waarin ik
haar in mij herhaal:

haar hooggehouden nek, haar kleine hand
die jankend het wiel van de Singer joeg.
De sneeuw van haar rug, blootgegeven
door de scherp gesneden snit van haar
japon. Haar bleke krullen op vrijdag gezet.

Ik vertaal mijn blik in wat achterwaarts ligt;
dit schap bijdetijdse muiltjes,
kleine dingen zijn het,
dit rek met zomerjurken;

en ze staat op

haar huid glad als de dichtgevroren
sloot achter ons huis, haar tred licht
over de dichte vijvers in mijn hoofd.

Ze lacht, o kijk, ze lacht.

Om de dooie dood een traan.
Een intercom meldt tasjesdieven.
Iemand stoot mij aan.

Dit volstaat. Het daagt. Het is tijd.
Ik moet gaan.

Margreet Schouwenaar
Stadsdichter Alkmaar



Dierlijk (26 augustus 1997)

Ik voelde mij zo dierlijk, liefste,
Gisteren,

Toen we lijf op lijf
Terug de hemel probeerden te scheppen

Jij wou, en de zacht spinnende kat in jou
Kromde alleen mijn tijgerklauwen

Er was geen licht achter mijn ogen
Liever wou ik een tweezang van woorden

Mijn staal op jouw staal
Mijn woord dat jij pareert

En het zwaard dat in de zon
Blinkend opveert

Annelies Goemans



Het huis dat we zijn

Wat dagen, gespleten, eens
geworteld in magere jaren,
door twijfel gevoed,
sprokkelen wij. Schaven wat

rest, smalle latten bijeen in lint
van herinneringen, het vergane
vervangen tot maakbare hut,

waarin we schuilgaan. We verzachten,
schuren, strelen met tastende hand
en gronden, dat berustend zinkt.

Dit kleuren we in. Egyptisch blauw
bijvoorbeeld, waaronder niets
verradende ogen winnen aan glans.

Het is de kleur waaraan wij hechten,
zo krijgt alles glans,
zelfs de weemoed.

Catharina Boer



Regen

De lucht raakt maar niet leeg
er groeien plassen in de straat
waar eerst nog zonlicht was
komen nu wolken naar omlaag.

De kano op de auto regent vol
de boterhammen nog in de mand
ik vouw een bootje van het weerbericht
er kunnen zeven bootjes uit een krant.

Ik wou dat het nog gister was
dan zouden we vandaag een dagje weg
de bootjes laat ik varen in een plas
ze zijn al heel de ochtend onderweg.

(uit: 'Kun je zien wat je voelt)
 
Johanna Kruit



Gerucht

Van oudsher geldt Oudshoorn als een verzameling
gehuchten met een onverzettelijk karakter
en woeste weerstand tegen ruilverkaveling
of herindeling. Nooit ook maar een zweem van zwakte.

De dwarse houding der doorsnee Oudshoornenaars
dreef sedert mensmemorie menige regering
van de gemeente tot wanhoop en ander naars,
zoals een intellectuele nivellering.

Ene magistraat, die anoniem wil blijven, maakt
gewag van een klimaat van driedracht en van veten
dat niet besproken worden mag, hetgeen hij laakt.
Gedoe gedraagt zich taai, ook bij niet willen weten.

Maar somtijds zwijgt door het Oudshoornse een gerucht.
Zij delen een geducht geheim uit het verleden,
die van Oudshoorn – dan trekt de onmin uit de lucht.
't Is als de Oudse Hoorn verzinkt in anti-zeden.

Leo van der Sterren



Kleine dingen

De geur van oude boeken,
kromgetrokken ruggen,
uitgelezen en vergeeld,

bruin omrande pagina's
gekaft en opgebaard in
een stoffig antiquariaat,

waar de vergane glorie
der eruditie zich in
kleine dingen openbaart;

een kruimel tabak, een
vloeitje, een haar, een
ezelsoor met lippenstift.

Jan Holtman




Het landschap staat in mij geschreven
(naar Ida Gerhardt)

Ik wandel langs het leven heen
verzacht van aard, maar nooit verlost
van het verleden, want hoe bemost
een steen ook is, het blijft een steen

zo staat het hier in mij geschreven
met ouder worden zelfs gegrift
de duinen, zand, de zee, de drift
die overging, in overleven

in vasthouden aan wie jij was
voor mij dan toch, en aan de sporen
die jij voor mij hier in een mist
van twijfels liet, met elke pas

met elke stap word jij herboren
met elke golf weer uitgewist.

(tweede prijs driejaarlijkse Rinke Tolman poëziewedstrijd 2008)

Bert Deben

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

19:36 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

18-12-09

WALTER ELST en ROLAND CASSIMAN

I.

Stillevenschilder Walter Elst: ,,Ik heb het meest voldoening van mijn werk als ik de realiteit zo dicht mogelijk benader"

Vanaf het moment dat de Belgische kunstschilder Walter Elst (Antwerpen,1955) besloot om kunstschilder te worden, hij was toen dertien jaar, volgde hij lessen bij Leon Lommaert, tot aan diens dood in 1978. Elst studeert op aanraden van zijn ouders geneeskunde. In 1982 voltooide hij zijn studie. Toch kiest hij voor het kunstenaarsschap.

Fijnschilderen

Een bezoek aan het atelier van Walter Elst valt op door de verzameling van allerhande spullen die de vier wanden van zijn atelier vullen: kannetjes, potjes, kruikjes, glazen roemers …en in de meeste potjes zit ook nog iets in, namelijk datgene wat erin geschilderd werd, bijvoorbeeld hazelnoten, walnoten, uitgedroogde mandarijntjes, lychees, tamme kastanjes (nog in hun prachtige uitgedroogde bolsters). Elst krijgt het blijkbaar niet over zijn hart om die na gebruik weg te kieperen: ,,Ze blijven mooi ook al zijn ze wat uitgedroogd, de tijd gaf ze een eigen poëzie."

Als ik hem zeg dat hij een prachtig oeuvre heeft opgebouwd reageert hij bescheiden: ,,We doen niet anders dan ons best. Dat is onze plicht. En beter kan ik niet. Ik voel me ook echt niet de meester van het stilleven, we zijn allemaal meesters naast elkaar en elk vogeltje zingt zoals het gebekt is." Hoe is Elst begonnen? ,,Mijn eerste leermeester was zelf een landschapschilder en zijn werk fascineerde me. Sowieso hield ik altijd al van de natuur, van haar scheppende schoonheid. Ik wilde daar iets in mijn leven mee doen, met dat gevoel, en uiteindelijk werd ik kunstschilder. Leon Lommaert is de man die mij schoonheid heeft léren zien. Hij zei: kijk, eens, dat is mooi, daarom en daarom. Bovendien opende hij m'n ogen voor wat mooi geschílderd was, zoals bijvoorbeeld de portretten van Rembrandt."

Wanneer is een schilderij een stilleven? ,,Ik houd niet van etiketjes ergens opplakken, of iets in vakjes onderbrengen, maar ik begrijp uw vraag wel, hoor. Maar of het nu een landschap of een stilleven is, voor mij heeft het allemaal te maken met schoonheid. Mijn leermeester bepaalde hoe ik mij ontwikkelde. Hij schilderde eerder op een losse, meer impressionistische manier, en zo begon ik ook. Gaandeweg ben ik andere schilders tegengekomen van wie het werk mij nog meer fascineerde omdat die gedetailleerder schilderden en dat paste beter bij mijn persoonlijkheid. Daarom ben ik de weg, van wat men noemt het fijnschilderen, ingeslagen. Ik wilde dichter bij de natuur schilderen, mijn schilderij diende de realiteit zo dicht mogelijk te benaderen. Ik vind de impressionistische manier nog altijd prachtig, maar het geeft mij meer voldoening als ik het fotografischer afwerk, al is het natuurlijk nooit een foto, het blijft geschilderd en het moet ook geschilderd blijven. Nogmaals, ik heb het meest voldoening van mijn werk als ik de realiteit zo dicht mogelijk benader."

Mandarijnen

Elst' 'Japanse mandarijntjes', 'Sjalotjes in het ochtendlicht', 'Asperges op Vlaamse wijze', 'De gouden adem van de herfst', 'Kalmthoutse heide', slechts een paar voorbeelden uit zijn rijke collectie, zijn tot in details realistisch uitgewerkt: of het nu de vezeltjes van een vrucht betreft of de plantjes in een landschap. Naar de natuur zoals Elst dat wenst en waarin hij een meester is, één van de. 'Ode aan Helmantel' is een schilderij dat Elst schilderde omdat hij een groot bewonderaar van Helmantel is: ,,Als we spreken van een meester is hij er een."

Elst heeft nogal wat stillevens met mandarijnen geschilderd: 'Japanse mandarijnen', 'Mandarijnen in Middeleeuwse papkom', 'Horizontale mandarijnen', 'Mysterieuze mandarijntjes'. Wat heeft hij met deze vruchten? ,,Dat heeft met een aantal dingen te maken. Allereerst vond ik dat ik ze nooit 100 % naar de natuur geschilderd had, er haperde altijd iets aan. Dat was voor mij de uitdaging het nog eens te doen omdat ik vond dat ik er niet zo goed in was. In een andere compositie weliswaar, maar telkens weer realistischer. Vandaar dat ik dat onderwerp steeds herhaal."

Waarom zijn mandarijnen moeilijker te schilderen dan bijvoorbeeld appels? ,,Als je een mandarijntje bekijkt zie je dat de schil een complexe structuur heeft en als er licht opvalt is het nog moeilijker vast te leggen. Om dat weer te geven is niet eenvoudig. Ik vind dat een van de moeilijkste dingen die ik in mijn carrière ben tegengekomen. Vandaar dat u veel mandarijntjes bij mij zult vinden." Elst lacht fijntjes.

Is hij ooit tevreden? ,,Vanaf het ogenblik dat men denkt: nu kan ik het, is de gedrevenheid voorbij. Dan kan je je werk beter aan de vuilnisman meegeven, dan is het niet meer boeiend, niet meer kleurrijk. Rembrandt heeft ooit gezegd:

Een schilderij is pas af wanneer het beeld op uw doek overeenkomt met het beeld in uw hoofd."

Elst is even stil, dan zonder enige aarzeling: ,,Bij mij is het beeld in mijn hoofd nog altijd mooier dan wat ik er zelf van bak."

Ellen de Jong

walter_elst_3

  

 

 

 

 

 

 

walter_elst_10

 

 

http://www.galerieutrecht.nl/

 

 

 

 

 

********************************************

II.

Als ik me ergens in vastbijt ben ik verloren

Roland Cassiman (Ninove, België) woont in Antwerpen. Hij is beeldend kunstenaar, schrijver, dichter, flamenco- en jazzmusicus. Een Vlaming die half Spaans is geworden en heen en weer trok tussen beide landen. Hij is tot 'comendador' (commandeur) benoemd in Spanje en heeft in Frankrijk en Spanje grote tentoonstellingen op zijn naam staan.

Roland staat mij op te wachten in de deuropening van zijn huis. Hij heeft naar Spaanse gewoonte allerlei hapjes klaargezet: van olijven tot toastjes met zalm en garnalen toe. Hij serveert er een Spaans wijntje bij. Ik reageer verrast, het is zo van een andere orde dan het Nederlandse kopje koffie of thee. ''U moet zich thuis voelen bij mij en dit hoort erbij." Roland kijkt mij vrolijk aan en steekt direct van wal als ik vraag hoe zijn diverse talenten zich ontwikkelden en of ze elkaar versterken.

''Wat ik nu vooral doe is schilderen, jazz speel ik alleen nog maar voor mijn plezier."

Roland komt uit een zeer kunstzinnige familie dus heeft hij het van niemand vreemd. Hij begon met de muziek, kreeg klassieke vorming, piano, en leerde later de jazz kennen en werd jazzmuzikant in Brussel. Hij vond dat toch een te heftig circuit en stapte over op de lichamelijke opvoeding en sport. Maar schilderen, tekenen en schrijven deed Roland altijd ernaast. ''Ik schreef vooral gedichten en die gingen uiteraard nogal eens over de liefde."

Roland publiceerde een bundel poëzie 'Anjers voor Manon' die veel gedichten over de liefde bevatten. Ik citeer het eerste couplet van het gedicht 'Wil van je houden': Wil van je houden/ alsof het de eerste keer is/ veroorloof mij zelfs/ nog éénmaal/ stuk te gaan. "Ik heb al die verschillende dingen gelijktijdig gedaan, voor mij was dat een logisch iets en ik deed ze voor 100 procent. En om op uw vraag terug te komen, die diverse disciplines versterkten elkaar. Als ge van het een genoeg hebt dan komt er iets anders voor in de plaats en is het weer nieuw."

We gaan het nu over Rolands beeldende werk hebben. Aan een van de muren hangt een prachtig doek. Het is de jazzmusicus Jerry Mulligan. Hij staat er in vol ornaat op, in een figuratieve stijl, het gezicht een en al expressie. "Ik vertrek altijd van een figuratief beeld maar dat kan later geabstraheerd worden. Ik ben zo'n 60 jaar aan het tekenen en schilderen (Roland is 70 jaar), want ik tekende al toen ik nog klein was. Ik had een onkel en die was bakker, maar die kon prachtige portretten tekenen en die leerde mij het een en ander. Als u naar mijn ontwikkeling vraagt kan ik dit zeggen: ik ben nooit naar een academie geweest, ik ben autodidact. In het begin schilderde ik straten in donkere kleuren, expressionistisch. Vervolgens werden het menselijke figuren en portretten. Voor Karel Appel had en heb ik een enorme bewondering en zijn werk is abstract, maar zijn manier van zich uit te leven, zijn spontaniteit wilde ik ook verkrijgen, maar dan in figuratievere zin, en dat duurt natuurlijk even voor je zover bent! Met de jaren is mijn werk wel abstracter geworden maar nooit totaal. Het gaat mij vooral om de emotie en om het zo rap mogelijk over te kunnen brengen en dat geldt ook voor mijn poëzie die ik nu nog steeds schrijf, al is het mondjesmaat."

Flamenco

Roland publiceerde een boek 'Flamenco, een passie', dubbeltalig, uitgegeven door De Vleermuis, dat reeds een vijfde druk beleefde. In de inleiding schrijft Roland: 'Ik zal trachten u te begeleiden in de vreemde, magische eigenaardige wereld van de flamencozang. Het eigen wezen van de flamenco is als een gesloten wonder dat zich moeilijk laat ontdekken.' En: 'De flamenco verstaat men niet, die moet men beleven.'

Het is een interessant boek dat een rijk beeld geeft van de geschiedenis van de flamenco en antwoord geeft op vragen als: Wat is nu eigenlijk flamencomuziek en waar komt het vandaan? Welke stromingen zijn er? Wie waren of zijn de groten in de flamenco?

Roland las eens dat in het Noorden van Spanje, in Cadaques, een centrum was van schrijvers, dichters, kunstenaars. "Daar moet ik naartoe", dacht ik, "en de Spanjaarden leerden me de flamenco en allerlei andere soorten muziek kennen. Ik vond dat zo boeiend, die ritmes liggen totaal anders dan in de jazz en daar wilde ik meer van weten. En als ik me ergens in vastbijt ben ik verloren en zo kwam het boek tot stand: mijn passie verwoordde ik."

Achterin het boek gaf Roland Don Quijote de la Mancha en Andres Segovia gestalte in olieverf. Met woeste penseelstreken vereeuwigde hij deze klassieke flamenco gitaristen."

Behalve schilderijen maakt Roland tegenwoordig ook veel monotypes. "Ik vind het een aangename afwisseling. Ge zou het als volgt kunnen vergelijken: Na het lezen van een ernstig filosofisch boek ga ik eens een romanneke lezen, zoiets. Het resultaat van zo'n monotype, waar ik me vroeger ook al mee bezighield, is wisselvallig, soms is het niks en soms is het tof."

Atelier

Boven is zijn atelier, ruim en licht. Het staat tjokvol met eigen werk maar er zijn ook schilderijen van andere meesters. Roland wijst me, terwijl hij swingende jazzmuziek laat horen van Monty Alexander, op verschillende musici die hij portretteerde, een trompettist, een saxofonist, beiden in volle actie. Vrouwenfiguren, al dan niet gekleed, zuiver en met veel gevoel voor kleur en verhoudingen in beeld gebracht. Een donkere straat uit zijn beginperiode, een nog niet voltooide drummer, in dynamische lijnen opgezet, wachtend op vervolmaking. En volmaakt zal het worden, voor minder doet Roland het niet. Wat betekent dit alles voor hem?

"Het is het leven zelf, ik vind het ook iets normaals. Ik zal het wel meegekregen hebben, het is geen moeite, geen werk, zeker en vast niet."

Ellen de Jong

roland1

 

 

 

 

 

roland2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

16:22 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-11-09

Schoon Schip nr 4 / 2009

 

Binnenkort verschijnt de laatste editie van dit jaar.

Gedichten, verhalen, essays en een interview, dit alles vindt u in het volgende nummer van het gedrukte tijdschrift Schoon Schip.

Alfred Krans over de verrassende Italiaanse schrijver Sandro Veronesi; Francis De Preter schreef een poëtisch reisverhaal over de Eifel; 'Is water een vrouwelijk element', vraagt Romain John van de Maele zich af en verdiept zich in het werk van Ida Gerhardt, Johanna Kruit en Clara Eppink; Raymond ten Berge met een verhaal over een gepensioneerde man en zijn vriendinnetje die zich verdiepen in de dood van een Middeleeuwse Drentse non en tegelijk worden geconfronteerd met de Griek Heracles. Poëzie van ondermeer Kristiaan Geerts, Delphine Lecompte, Eelke van Es, Nol Krentsch, Frans H. Venema. Peter Moerenhout, Rudi Penne en Staf De Wilde schreven een verhaal voor Schoon Schip en Ellen de Jong heeft een vraaggesprek met...? En er is meer.

64 bladzijden op A4 formaat.

 

20:31 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

02-10-09

OPGERAAPT AAN ZEE


essay van Romain John van de Maele

In Den förlorade jaguaren (1941, De verloren jaguar), een roman doorspekt met essays, beschrijft de Zweedse romancier en dichter Harry Martinson hoe Sven Kahle op een dag, midden in de natuur, van een avontuurlijke bloem zit te dromen – een mensenverslindende reuzenbloem. De planten, de bloemen, de vogels en de insecten zijn overweldigend aanwezig, maar de dromer verlangt naar leven en beelden voorbij de horizon van Kalköping. Wat zich in het gras aan zijn voeten afspeelt, ‘ziet’ hij niet. In Martinsons romans en essays is de natuur vaak een baken of een ijkpunt voor de zoekende mens, en in zijn gedichten heeft de Natureingang meestal een gelijkaardige functie.
Gedichten waarin de natuur of natuurbeelden het denken en het zijn verdiepen hebben me steeds bijzonder geboeid. Ik denk aan de gedichten ‘Nachtuiltjes’, ‘Schoolplaat’ en ‘Rijp’ in de bundel Oldambt (1976) van Fetze Pijlman. In ‘Uit en thuis’ verbindt hij de natuur met zijn dromen, maar niet zoals Martinsons dromende jongeling: ‘Als ganzen gaan en kluten komen,/ de avond valt in gras en sloten,/ een meeuw zeilt hoog en heel alleen/ naar huis toe, terug naar zee,// dan zweef ik ’s nachts rond in mijn dromen,/ op weg naar huis, naar huis terug./ De grote rust wil maar niet komen.’ Toch heeft ook Pijlman wel eens gedroomd zoals Sven Kahle. Het gedicht ‘Wandeling’ (Onder de lamp, 1972) verbindt de natuur met de onvervulde droom: ‘Bomen vervallen weer tot leegte/ onder mijn voeten kraakt hun blad.// Waar zou ik nu eigenlijk heen?/ In de verte is alles troebel,/ de boerderijen vaag./ De omfloerste zon gaat neer// en weer verlies ik van mijn dromen./ Zo kom ik nergens dan na het eten thuis.’ In ‘Landweg’ wordt echter met beheerste weemoed de belaagde natuur in beeld gebracht en ‘droomt’ de dichter van het nabije landschap zoals het vroeger was: ‘Het leek net of de takken iets zochten,/ want ze staken steeds verder uit de bomen,/ die in een lange rij naar het dorp liepen.// Maar voor ze gekomen waren bij wat ze zochten,/ was het hout verstookt, de weg verbreed.’
In recente gedichten en haiku’s van Johanna Kruit zijn de natuur en de droom, de weemoed en het verlangen even sterk aanwezig als in het werk van Martinson en Pijlman. In tegenstelling tot het werk uit haar vroege periode zijn de gedichten in Winterdagboek (2007) en (vanzelfsprekend) de haiku’s in Opgeraapt aan zee (2005) echter veel geconcentreerder. Haar haiku’s of gedachten ‘definieert’ ze zelf als volgt: ‘De waterveren/ van witte meeuwen zijn ze/ opgeraapt aan zee.’ Niet alleen de vorm bereikt hier een uiterste concentratie, ook de gedachte en het achterliggende wereldbeeld worden tot hun essentie beperkt: het zijn en het één-zijn aan de rand van het water. De drie versregels zijn een synthese van alle vorige dichtbundels. De meeuw – thuis op het water en in de lucht – is aanwezig aan de vloedlijn. Ook hier treft weer de essentie: de waterveren. De meeuw en de waterveren zijn een koppelteken tussen de uitgestrektheid en de eeuwige herhaling aan de ene kant, en de begrenzing aan de andere kant. Ook het woord begrenst de ervaring en het beeld.
De omgeving van de duinen en het water blijft bepalend voor dit dichterschap. In januari zingt de zee, en het lied wordt gevangen in enkele lettergrepen: ‘Het eindeloos wit/ van het uitgestrekte strand/ de zingende zee.’ In september laat het lyrisch subject zich meeslepen door de regenboog: ‘Boven de duinen/ een stralende regenboog/ ademloos kijken.’ En als het strand een vreedzame bezetting ondergaat, in augustus, blijft de zee zoals steeds zichzelf: ‘Het wijde water/ golven lopen af en aan/ naar volle stranden.’ Water is een sleutelwoord in het oeuvre van Johanna Kruit, en het is dan ook sterk aanwezig in de haiku’s. Het water wordt soms met het metafysische verbonden, zoals in de volgende versregels:

Achter het water
geheimzinnige verte
waar ooit iets begon.

Het zijn wordt als een continuüm ervaren, en ook die ervaring wordt met waterbeelden aan het papier toevertrouwd: ‘Onder het water/ alles wat al eerder was/ alles wat zal zijn.’ In deze haiku’s is het water geen vijandig koppelteken tussen werkelijkheid en droom en daardoor als het ware de antithese van de stormachtige zee in Den förlorade jaguaren. In tegenstelling tot Martinsons romanfiguren vertrouwt de dichteres op haar ervaring langs de waterlijn, niet op de ‘magische’ werkelijkheid van een filmbeeld. Ze kent het ‘gevaar’ van de zee – letterlijk –, maar het water is meer dan de werkelijkheid, het is ook een symbool zoals in het eerste gedicht van de kleine cyclus ‘Zilveren vis’. Het lyrisch subject ‘herinnert’ zich de stem van de moeder: ‘… pas op, niet te ver, stroom trekt je mee’ […] ‘Maar het water ging open/ stroom trok ons mee.’ Wellicht naar ‘alles wat al eerder was/ alles wat zal zijn.’
De moederfiguur staat roepend in het duin – soms als een silhouet – en zij is het koppelteken tussen beweging en stilstand:

Soms werd ze silhouet, stond uitgeknipt te
roepen op het duin. Haar mond gaf geen geluid
maar schreeuwde honderuit: pas op
kom terug, ik plant een tovertuin.

Wij buitelden door golven, zwaaiden luid
en lachten om haar beeld. Soms zwegen we
van schrik wanneer de schaamte ons
naar onder dreef.

Muziek van wind wees ons de weg: er was
geen terug. We reden op de rug van water
en wisten verder dan we zagen dat zij zou
blijven staan omdat ze daarvoor was.

De ‘beweging’ en bewogenheid die in dit herinneringsbeeld – met eind- en binnenrijmen – gestalte krijgen, zijn die van het kind dat eigenlijk aarzelt tussen afscheid (groei) aan de ene kant, en in de tovertuin blijven wonen (nooit zichzelf worden) aan de andere kant – het is de onvoorwaardelijke keuze voor het leven die gepaard gaat met weemoed, want kiezen (leven) is loslaten. En dat loslaten is niet eenmalig – andere stemmen roepen na jaren: ‘pas op niet te ver’:

We haalden haar in met haar stem: pas op
niet te ver, sleurden haar terug naar betekenis.
We ruisten als wind bij de plaats waar ze
stond, werden verrassend klein.

Zilveren vis verdween, buitelde weg, lachte
om ons in het water. We zwommen als gekken
naar waar ze verscheen: echo van jaren
op de rug van de zee.

Water is meer dan een oerbeeld, en in elk gedicht krijgt het een eigen betekenis. Water – ook vruchtwater – verbindt en scheidt. Maar de dichteres huivert niet voor het water, ze nodigt het natuurgeweld uit: ‘O kom orkaan, veeg oude waarden weg./ Breek lippen los, laat water branden.’) Ook zij droomde wel eens zoals Sven Kahle – zoals Kalköping was wellicht ook Zoutelande ooit te ‘klein’: ‘Dit dorp waar elk zijn eigen plaats bedong/ vergeeft het vreemde niet./ In elke straat ligt hier de verte vast/ gebonden door een vreemde wet.’ Dit verlangen wordt beantwoord door een omkering van het verlangen door een zus die vanuit Kenia een vergane wereld in herinnering brengt. Die omkering van het verlangen is zo herkenbaar. Jaren geleden ontmoette ik in Sandviken een man die na een verblijf van enkele jaren in Kenia bijna kinderlijk blij was opnieuw in Zweden te mogen vertoeven. Hij verlangde naar de jaargetijden van het noorden. Mijn moeder woonde bijna zestig jaar in Aalst (Oost-Vlaanderen) en ze verlangde na al die jaren, weliswaar stil en beheerst, nog steeds naar het eenvoudige Engelse mijnwerkersdorpje waar ze haar jeugd had doorgebracht. Maar ik laat Johanna Kruit aan het woord – in haar brieven rijkt ze haar zusje beelden aan die het continuüm versterken:

Weg is de regen, de wolken weer wit
schrijf ik en zit voor een uitzicht
vol schapen. Wind lees ik voor die
komt van het water. Ik geef haar

verhalen van mensen die kwamen
en gingen. Vogels zingen verleden
gaten vallen alsmaar dicht.
Ik schrijf haar tevreden.

Het schrijven is echter begrensd – zoals het dorp waarover de orkaan mag razen – en woorden zijn soms ook maar gaten of schaduwen: ‘Soms tasten we af wie we zijn,/ leggen uit hoe we werden./ Tussen de regels vertellen we/ verder waarom en voor wie.// Dan weer gaan we op in onszelf/ en vinden geen tijd om te schrijven./ We kunnen niet alles delen, hebben/ genoeg aan wat is en wat is verdwenen.’
Maar hebben we genoeg aan wat is en niet meer is? Het laatste gedicht, ‘IJsbloemen’, roept een ander beeld op: ‘Zoals door bloemen op een ruit je niets/ kunt zien en toch het uitzicht kent/ weet je de toekomst van verdriet:// verstilde weemoed/ die als adem op een raam bevriest.’ Uiteindelijk houdt elk afscheid een gedwongen terugblik in, naar buiten en naar binnen. Loslaten – groeien – is gehoor geven aan de jaargetijden en in de winter, het laatste seizoen, verlangen naar datgene wat niet meer is, omdat we niet genoeg hebben aan wat nog is, of zoals Johanna Kruit zelf schreef: ‘De sterrenhemel/ doodstil zit ik voor het raam/ denk aan geheimen.’) In Opgeraapt aan zee en Winterdagboek – waarin niet alleen het water maar ook het vensterraam meermaals opvalt – herken ik wat de Brabantse dichter Hubert van Herreweghen in de volgende versregels heeft samengevat: ‘Van iets dat schoon is en gering/ de rilling, de verzilvering.’ Afstand houdt wat lang ‘voorbij’ is gaaf, ook al was het vensterraam soms smal en de omgeving gering.
Zoals in het werk van Ida Gerhardt is water – in al zijn verschijningsvormen – het kernelement in de poëzie van Johanna Kruit. En water – een van de vier elementen – heeft niet alleen veel gedaanten, het vertegenwoordigt in het dichterlijk vocabulaire ook veel werkwoorden. Water spoelt schoon, letterlijk en symbolisch, het neemt, geeft, draagt en scheidt… Soms roept het werk van Johanna Kruit bij mij herinneringen op aan het intrigerende gedicht ‘Nixe’ van Clara Eggink. ‘Nixe’, uit de in 1934 verschenen bundel Schaduw en water, werd door Dirk Coster opgenomen in de bloemlezing Nieuwe geluiden. In enkele onderkoelde versregels rijgt het lyrisch subject – een watergeest – de elementen water, aarde en lucht aan elkaar.

Mijn hart is koel, mijn lijf is koud,
Het water is mij meer vertrouwd
Dan al uw groene wegen.

Een streeling en een warme hand
Binden mij toch niet aan dit land,
Ik ga de stroomen tegen.

Ik duik bij dag en drijf bij nacht,
Mijn zingen is een waterklacht:
Geluk alleen verzwegen.

Ik leef naar zee, mijn dood wordt schuim.
Ik drijf dan één met ’t waterruim
En daal eens neer als regen.

Voor het lyrisch subject is water het element bij uitstek, ‘meer vertrouwd’ dan de aarde (de ‘groene wegen’), en eens verdampt – in de laatste strofe – valt de sprekende ik-figuur uit de lucht. Regen wordt gekoppeld aan het verzwegen geluk (in strofe 3) en het verweer tegen de stromen (in strofe 2) en voedt, aan het eind van het gedicht, de groene wegen uit de eerste strofe. Aardse bloei is onmogelijk zonder regenval. Het dichterlijk ik vlucht voor de zon: het duikt bij dag en drijft bij nacht. Het verlangen naar de schaduwzijde gaat gepaard met een zingen dat als ‘waterklacht’ weerklinkt. In dit korte gedicht verwoordt Clara Eggink o.a. dat amor fati niet vanzelfsprekend is en dat het geluk (vaak) tegendraads vorm krijgt: bloei is afhankelijk van zonlicht én van regen, geluk wordt vaak voorafgegaan door tranen.
Als regen voegt water – het verdampte ik – zich bij water. Op die manier voltrekt zich de ‘ewige Wiederkehr’, zoals bij eb en vloed die ononderbroken als golfslag het land nemen en teruggeven maar zelf onveranderlijk zijn: water in beweging. In het poëtisch universum zijn bloei en verval, eb en vloed, geboorte en dood, beleven en herinnering geen begin en einde, maar twee gelijktijdige verschijningsvormen van een nooit rustend zijn. Het zijn en het zijn voorbij de horizon – denk aan het water en aan het symbolische vensterraam – vallen niet samen met het korte leven op aarde en het eeuwige leven van de ziel, het zijn en de tijd zijn ondeelbaar. Woorden en beelden worden wel losgezongen uit de lichamelijke ervaring. Ze verdiepen en bevriezen de tijd, of ze laten ‘vroeger’ en ‘nu’ samensmelten. Het ‘afwezige’ meldt zich opnieuw aanwezig, maar niets gaat voorbij, en de ‘herinnering’ is geen herbeleven maar beleven en leven. In het werk van Johanna Kruit is water – vooral de zee – een visualisatie en de bron van tijd en zijn.
De watergedichten van Johanna Kruit roepen – en dit ter afronding – bij mij ook herinneringen op aan het gedicht ‘Vattnets barn’ (‘Kinderen van het water’) uit de bundel Härdarna (1927, De haardvuren) van de Zweedse dichteres Karin Boye. In Winterdagboek herinnert de dichteres zich een zilveren vis. Een variant daarvan ontmoette ik al eerder – als zilvervissen – in het gedicht van Karin Boye. In Boyes naar omvang relatief bescheiden maar literatuurhistorisch belangrijke oeuvre (vijf romans en vijf dichtbundels) staat de rol van de vrouw – als natuur- en cultuurwezen – centraal. Haar werk kwam helaas niet aan bod in het in 1968 verschenen panorama De hedendaagse Zweedse letterkunde van R.F.M. Boshouwers. In haar roman Kallocain (1940), die verwant is aan Nineteen Eighty-Four (1949) van George Orwell en Brave New World (1932) van Aldous Huxley, zijn – zoals in haar gedichten – natuur en cultuur elkaar afstotende en elkaar aantrekkende tegendelen. Volgens een bericht op de achterflap van de pocketuitgave (1965) heeft Karin Boye het schrijven van de roman als een griezelige bezigheid ervaren. Ikzelf waardeer haar vooral als dichteres, maar alvorens ik u kennis laat maken met mijn vertaling van ‘Kinderen van het water’, refereer ik aan een ander waterbeeld in haar gedicht ‘Munnarna’ (‘De monden’) uit de bundel För trädets skull (1936, Ter wille van de boom): ‘Dit zijn moeders./ Roofvismonden,/ versperd en gespannen in hebberige angst:/ eten of opgegeten worden.’ In dit maatschappelijk en existentieel gekleurd gedicht verwerpt het lyrisch subject de roofvismonden en gaat op zoek ‘naar monden die zich als bloemen openen.’ ‘Kinderen van het water’ is minder ‘maatschappelijk’ geladen.

Rond onze wieg golfden zacht als zeegras
doorzichtige, ongrijpbare watergeesten.
Voor altijd gelukkig rustten wij in de stille diepte.

Wie trok ons mee uit huis?
Als wervelende bobbels suisden wij naar het licht,
als glimmende zilvervissen gleden wij in een loodgrijze zee.
Daarna stonden wij op een morgen met druipend haar op het strand
in een vreemd land.

Nooit vinden wij de weg naar huis terug.
Wij trekken rond als in een droom.
Onze vochtige, donkere ogen schuwen de zon.
Onze koele en milde handen schuwen het handelen.
Onze zwevende, wijkende zielen schuwen de liefde.
Ze kronkelen als slangen voor alles dat gloeit.

Wij lopen als in een droom, onze wereld is schuim.
Onze verre, koele glimlach is een groet uit het land van vader,
waar de portalen overwelfd zijn met glasgroen water –
de deuren naar de eeuwige rust.

In dit gedicht duiken woorden op die ook in het werk van Johanna Kruit en ‘Nixe’ het beeld medebepalen. Zoals de watergeest van Clara Eggink voelen ook Karin Boyes kinderen van het water zich niet echt vertrouwd met de ‘groene wegen’. Ze schuwen de zon en de liefde – en hier onderscheidt het werk van Johanna Kruit zich van ‘Vattnets barn’. In haar gedichten verlangt Johanna Kruit niet alleen naar het water, maar ook naar de aarde, de lucht en de zon – de alma mater, de bron van de liefde en het licht dat een bron van wijsheid is. Dat doet Karin Boye, die veel watergedichten heeft geschreven, ook in ‘Din värme’ (‘Jouw warmte’): ‘De zwevende vogel jubelt:/ Ik leef van licht!’ Op het niveau van het oeuvre zijn bij beide schrijfsters de ‘tegengestelden’ aan elkaar gewaagd en nooit ver weg.

Literatuur
-K. Boye, Dikter, Stockholm, Albert Bonniers Förlag, 1996.
-C. Eggink, ‘Nixe’, in: D. Coster, Nieuwe geluiden, Arnhem, Van Loghum Slaterus, 19415.
-B. Gustafsson, ‘Klinga av stål – blommande gren. Kvinnosynen hos Karin Boye’, in: Horisont, jrg. 28, nr. 1, 1981, p. 66-70.
-J. Kruit, Opgeraapt aan zee, Bergen op Zoom, Doorgeverij Zinderend, 2005.
-J. Kruit, Winterdagboek, Bergen op Zoom, Doorgeverij Zinderend, 2007.
-F. Pijlman, Oldambt, Amsterdam, C.J. Aarts, 1976.
-F. Pijlman, Onder de lamp, Amsterdam, C.J. Aarts, 19763.
-B. Svanberg, ‘Längtan efter moderliga män. Könsrollsattityder hos Karin Boye’, in: K. Westman Berg, red., Könsroller i litteraturen från antiken till 1960-talet, Stockholm, Bokförlaget Prisma, 1968, p. 168-188.
-H. van Herreweghen, Het is een geur die ge moet vinden, Leuven, Uitgeverij P, 2008.



21:57 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |