02-10-09

OPGERAAPT AAN ZEE


essay van Romain John van de Maele

In Den förlorade jaguaren (1941, De verloren jaguar), een roman doorspekt met essays, beschrijft de Zweedse romancier en dichter Harry Martinson hoe Sven Kahle op een dag, midden in de natuur, van een avontuurlijke bloem zit te dromen – een mensenverslindende reuzenbloem. De planten, de bloemen, de vogels en de insecten zijn overweldigend aanwezig, maar de dromer verlangt naar leven en beelden voorbij de horizon van Kalköping. Wat zich in het gras aan zijn voeten afspeelt, ‘ziet’ hij niet. In Martinsons romans en essays is de natuur vaak een baken of een ijkpunt voor de zoekende mens, en in zijn gedichten heeft de Natureingang meestal een gelijkaardige functie.
Gedichten waarin de natuur of natuurbeelden het denken en het zijn verdiepen hebben me steeds bijzonder geboeid. Ik denk aan de gedichten ‘Nachtuiltjes’, ‘Schoolplaat’ en ‘Rijp’ in de bundel Oldambt (1976) van Fetze Pijlman. In ‘Uit en thuis’ verbindt hij de natuur met zijn dromen, maar niet zoals Martinsons dromende jongeling: ‘Als ganzen gaan en kluten komen,/ de avond valt in gras en sloten,/ een meeuw zeilt hoog en heel alleen/ naar huis toe, terug naar zee,// dan zweef ik ’s nachts rond in mijn dromen,/ op weg naar huis, naar huis terug./ De grote rust wil maar niet komen.’ Toch heeft ook Pijlman wel eens gedroomd zoals Sven Kahle. Het gedicht ‘Wandeling’ (Onder de lamp, 1972) verbindt de natuur met de onvervulde droom: ‘Bomen vervallen weer tot leegte/ onder mijn voeten kraakt hun blad.// Waar zou ik nu eigenlijk heen?/ In de verte is alles troebel,/ de boerderijen vaag./ De omfloerste zon gaat neer// en weer verlies ik van mijn dromen./ Zo kom ik nergens dan na het eten thuis.’ In ‘Landweg’ wordt echter met beheerste weemoed de belaagde natuur in beeld gebracht en ‘droomt’ de dichter van het nabije landschap zoals het vroeger was: ‘Het leek net of de takken iets zochten,/ want ze staken steeds verder uit de bomen,/ die in een lange rij naar het dorp liepen.// Maar voor ze gekomen waren bij wat ze zochten,/ was het hout verstookt, de weg verbreed.’
In recente gedichten en haiku’s van Johanna Kruit zijn de natuur en de droom, de weemoed en het verlangen even sterk aanwezig als in het werk van Martinson en Pijlman. In tegenstelling tot het werk uit haar vroege periode zijn de gedichten in Winterdagboek (2007) en (vanzelfsprekend) de haiku’s in Opgeraapt aan zee (2005) echter veel geconcentreerder. Haar haiku’s of gedachten ‘definieert’ ze zelf als volgt: ‘De waterveren/ van witte meeuwen zijn ze/ opgeraapt aan zee.’ Niet alleen de vorm bereikt hier een uiterste concentratie, ook de gedachte en het achterliggende wereldbeeld worden tot hun essentie beperkt: het zijn en het één-zijn aan de rand van het water. De drie versregels zijn een synthese van alle vorige dichtbundels. De meeuw – thuis op het water en in de lucht – is aanwezig aan de vloedlijn. Ook hier treft weer de essentie: de waterveren. De meeuw en de waterveren zijn een koppelteken tussen de uitgestrektheid en de eeuwige herhaling aan de ene kant, en de begrenzing aan de andere kant. Ook het woord begrenst de ervaring en het beeld.
De omgeving van de duinen en het water blijft bepalend voor dit dichterschap. In januari zingt de zee, en het lied wordt gevangen in enkele lettergrepen: ‘Het eindeloos wit/ van het uitgestrekte strand/ de zingende zee.’ In september laat het lyrisch subject zich meeslepen door de regenboog: ‘Boven de duinen/ een stralende regenboog/ ademloos kijken.’ En als het strand een vreedzame bezetting ondergaat, in augustus, blijft de zee zoals steeds zichzelf: ‘Het wijde water/ golven lopen af en aan/ naar volle stranden.’ Water is een sleutelwoord in het oeuvre van Johanna Kruit, en het is dan ook sterk aanwezig in de haiku’s. Het water wordt soms met het metafysische verbonden, zoals in de volgende versregels:

Achter het water
geheimzinnige verte
waar ooit iets begon.

Het zijn wordt als een continuüm ervaren, en ook die ervaring wordt met waterbeelden aan het papier toevertrouwd: ‘Onder het water/ alles wat al eerder was/ alles wat zal zijn.’ In deze haiku’s is het water geen vijandig koppelteken tussen werkelijkheid en droom en daardoor als het ware de antithese van de stormachtige zee in Den förlorade jaguaren. In tegenstelling tot Martinsons romanfiguren vertrouwt de dichteres op haar ervaring langs de waterlijn, niet op de ‘magische’ werkelijkheid van een filmbeeld. Ze kent het ‘gevaar’ van de zee – letterlijk –, maar het water is meer dan de werkelijkheid, het is ook een symbool zoals in het eerste gedicht van de kleine cyclus ‘Zilveren vis’. Het lyrisch subject ‘herinnert’ zich de stem van de moeder: ‘… pas op, niet te ver, stroom trekt je mee’ […] ‘Maar het water ging open/ stroom trok ons mee.’ Wellicht naar ‘alles wat al eerder was/ alles wat zal zijn.’
De moederfiguur staat roepend in het duin – soms als een silhouet – en zij is het koppelteken tussen beweging en stilstand:

Soms werd ze silhouet, stond uitgeknipt te
roepen op het duin. Haar mond gaf geen geluid
maar schreeuwde honderuit: pas op
kom terug, ik plant een tovertuin.

Wij buitelden door golven, zwaaiden luid
en lachten om haar beeld. Soms zwegen we
van schrik wanneer de schaamte ons
naar onder dreef.

Muziek van wind wees ons de weg: er was
geen terug. We reden op de rug van water
en wisten verder dan we zagen dat zij zou
blijven staan omdat ze daarvoor was.

De ‘beweging’ en bewogenheid die in dit herinneringsbeeld – met eind- en binnenrijmen – gestalte krijgen, zijn die van het kind dat eigenlijk aarzelt tussen afscheid (groei) aan de ene kant, en in de tovertuin blijven wonen (nooit zichzelf worden) aan de andere kant – het is de onvoorwaardelijke keuze voor het leven die gepaard gaat met weemoed, want kiezen (leven) is loslaten. En dat loslaten is niet eenmalig – andere stemmen roepen na jaren: ‘pas op niet te ver’:

We haalden haar in met haar stem: pas op
niet te ver, sleurden haar terug naar betekenis.
We ruisten als wind bij de plaats waar ze
stond, werden verrassend klein.

Zilveren vis verdween, buitelde weg, lachte
om ons in het water. We zwommen als gekken
naar waar ze verscheen: echo van jaren
op de rug van de zee.

Water is meer dan een oerbeeld, en in elk gedicht krijgt het een eigen betekenis. Water – ook vruchtwater – verbindt en scheidt. Maar de dichteres huivert niet voor het water, ze nodigt het natuurgeweld uit: ‘O kom orkaan, veeg oude waarden weg./ Breek lippen los, laat water branden.’) Ook zij droomde wel eens zoals Sven Kahle – zoals Kalköping was wellicht ook Zoutelande ooit te ‘klein’: ‘Dit dorp waar elk zijn eigen plaats bedong/ vergeeft het vreemde niet./ In elke straat ligt hier de verte vast/ gebonden door een vreemde wet.’ Dit verlangen wordt beantwoord door een omkering van het verlangen door een zus die vanuit Kenia een vergane wereld in herinnering brengt. Die omkering van het verlangen is zo herkenbaar. Jaren geleden ontmoette ik in Sandviken een man die na een verblijf van enkele jaren in Kenia bijna kinderlijk blij was opnieuw in Zweden te mogen vertoeven. Hij verlangde naar de jaargetijden van het noorden. Mijn moeder woonde bijna zestig jaar in Aalst (Oost-Vlaanderen) en ze verlangde na al die jaren, weliswaar stil en beheerst, nog steeds naar het eenvoudige Engelse mijnwerkersdorpje waar ze haar jeugd had doorgebracht. Maar ik laat Johanna Kruit aan het woord – in haar brieven rijkt ze haar zusje beelden aan die het continuüm versterken:

Weg is de regen, de wolken weer wit
schrijf ik en zit voor een uitzicht
vol schapen. Wind lees ik voor die
komt van het water. Ik geef haar

verhalen van mensen die kwamen
en gingen. Vogels zingen verleden
gaten vallen alsmaar dicht.
Ik schrijf haar tevreden.

Het schrijven is echter begrensd – zoals het dorp waarover de orkaan mag razen – en woorden zijn soms ook maar gaten of schaduwen: ‘Soms tasten we af wie we zijn,/ leggen uit hoe we werden./ Tussen de regels vertellen we/ verder waarom en voor wie.// Dan weer gaan we op in onszelf/ en vinden geen tijd om te schrijven./ We kunnen niet alles delen, hebben/ genoeg aan wat is en wat is verdwenen.’
Maar hebben we genoeg aan wat is en niet meer is? Het laatste gedicht, ‘IJsbloemen’, roept een ander beeld op: ‘Zoals door bloemen op een ruit je niets/ kunt zien en toch het uitzicht kent/ weet je de toekomst van verdriet:// verstilde weemoed/ die als adem op een raam bevriest.’ Uiteindelijk houdt elk afscheid een gedwongen terugblik in, naar buiten en naar binnen. Loslaten – groeien – is gehoor geven aan de jaargetijden en in de winter, het laatste seizoen, verlangen naar datgene wat niet meer is, omdat we niet genoeg hebben aan wat nog is, of zoals Johanna Kruit zelf schreef: ‘De sterrenhemel/ doodstil zit ik voor het raam/ denk aan geheimen.’) In Opgeraapt aan zee en Winterdagboek – waarin niet alleen het water maar ook het vensterraam meermaals opvalt – herken ik wat de Brabantse dichter Hubert van Herreweghen in de volgende versregels heeft samengevat: ‘Van iets dat schoon is en gering/ de rilling, de verzilvering.’ Afstand houdt wat lang ‘voorbij’ is gaaf, ook al was het vensterraam soms smal en de omgeving gering.
Zoals in het werk van Ida Gerhardt is water – in al zijn verschijningsvormen – het kernelement in de poëzie van Johanna Kruit. En water – een van de vier elementen – heeft niet alleen veel gedaanten, het vertegenwoordigt in het dichterlijk vocabulaire ook veel werkwoorden. Water spoelt schoon, letterlijk en symbolisch, het neemt, geeft, draagt en scheidt… Soms roept het werk van Johanna Kruit bij mij herinneringen op aan het intrigerende gedicht ‘Nixe’ van Clara Eggink. ‘Nixe’, uit de in 1934 verschenen bundel Schaduw en water, werd door Dirk Coster opgenomen in de bloemlezing Nieuwe geluiden. In enkele onderkoelde versregels rijgt het lyrisch subject – een watergeest – de elementen water, aarde en lucht aan elkaar.

Mijn hart is koel, mijn lijf is koud,
Het water is mij meer vertrouwd
Dan al uw groene wegen.

Een streeling en een warme hand
Binden mij toch niet aan dit land,
Ik ga de stroomen tegen.

Ik duik bij dag en drijf bij nacht,
Mijn zingen is een waterklacht:
Geluk alleen verzwegen.

Ik leef naar zee, mijn dood wordt schuim.
Ik drijf dan één met ’t waterruim
En daal eens neer als regen.

Voor het lyrisch subject is water het element bij uitstek, ‘meer vertrouwd’ dan de aarde (de ‘groene wegen’), en eens verdampt – in de laatste strofe – valt de sprekende ik-figuur uit de lucht. Regen wordt gekoppeld aan het verzwegen geluk (in strofe 3) en het verweer tegen de stromen (in strofe 2) en voedt, aan het eind van het gedicht, de groene wegen uit de eerste strofe. Aardse bloei is onmogelijk zonder regenval. Het dichterlijk ik vlucht voor de zon: het duikt bij dag en drijft bij nacht. Het verlangen naar de schaduwzijde gaat gepaard met een zingen dat als ‘waterklacht’ weerklinkt. In dit korte gedicht verwoordt Clara Eggink o.a. dat amor fati niet vanzelfsprekend is en dat het geluk (vaak) tegendraads vorm krijgt: bloei is afhankelijk van zonlicht én van regen, geluk wordt vaak voorafgegaan door tranen.
Als regen voegt water – het verdampte ik – zich bij water. Op die manier voltrekt zich de ‘ewige Wiederkehr’, zoals bij eb en vloed die ononderbroken als golfslag het land nemen en teruggeven maar zelf onveranderlijk zijn: water in beweging. In het poëtisch universum zijn bloei en verval, eb en vloed, geboorte en dood, beleven en herinnering geen begin en einde, maar twee gelijktijdige verschijningsvormen van een nooit rustend zijn. Het zijn en het zijn voorbij de horizon – denk aan het water en aan het symbolische vensterraam – vallen niet samen met het korte leven op aarde en het eeuwige leven van de ziel, het zijn en de tijd zijn ondeelbaar. Woorden en beelden worden wel losgezongen uit de lichamelijke ervaring. Ze verdiepen en bevriezen de tijd, of ze laten ‘vroeger’ en ‘nu’ samensmelten. Het ‘afwezige’ meldt zich opnieuw aanwezig, maar niets gaat voorbij, en de ‘herinnering’ is geen herbeleven maar beleven en leven. In het werk van Johanna Kruit is water – vooral de zee – een visualisatie en de bron van tijd en zijn.
De watergedichten van Johanna Kruit roepen – en dit ter afronding – bij mij ook herinneringen op aan het gedicht ‘Vattnets barn’ (‘Kinderen van het water’) uit de bundel Härdarna (1927, De haardvuren) van de Zweedse dichteres Karin Boye. In Winterdagboek herinnert de dichteres zich een zilveren vis. Een variant daarvan ontmoette ik al eerder – als zilvervissen – in het gedicht van Karin Boye. In Boyes naar omvang relatief bescheiden maar literatuurhistorisch belangrijke oeuvre (vijf romans en vijf dichtbundels) staat de rol van de vrouw – als natuur- en cultuurwezen – centraal. Haar werk kwam helaas niet aan bod in het in 1968 verschenen panorama De hedendaagse Zweedse letterkunde van R.F.M. Boshouwers. In haar roman Kallocain (1940), die verwant is aan Nineteen Eighty-Four (1949) van George Orwell en Brave New World (1932) van Aldous Huxley, zijn – zoals in haar gedichten – natuur en cultuur elkaar afstotende en elkaar aantrekkende tegendelen. Volgens een bericht op de achterflap van de pocketuitgave (1965) heeft Karin Boye het schrijven van de roman als een griezelige bezigheid ervaren. Ikzelf waardeer haar vooral als dichteres, maar alvorens ik u kennis laat maken met mijn vertaling van ‘Kinderen van het water’, refereer ik aan een ander waterbeeld in haar gedicht ‘Munnarna’ (‘De monden’) uit de bundel För trädets skull (1936, Ter wille van de boom): ‘Dit zijn moeders./ Roofvismonden,/ versperd en gespannen in hebberige angst:/ eten of opgegeten worden.’ In dit maatschappelijk en existentieel gekleurd gedicht verwerpt het lyrisch subject de roofvismonden en gaat op zoek ‘naar monden die zich als bloemen openen.’ ‘Kinderen van het water’ is minder ‘maatschappelijk’ geladen.

Rond onze wieg golfden zacht als zeegras
doorzichtige, ongrijpbare watergeesten.
Voor altijd gelukkig rustten wij in de stille diepte.

Wie trok ons mee uit huis?
Als wervelende bobbels suisden wij naar het licht,
als glimmende zilvervissen gleden wij in een loodgrijze zee.
Daarna stonden wij op een morgen met druipend haar op het strand
in een vreemd land.

Nooit vinden wij de weg naar huis terug.
Wij trekken rond als in een droom.
Onze vochtige, donkere ogen schuwen de zon.
Onze koele en milde handen schuwen het handelen.
Onze zwevende, wijkende zielen schuwen de liefde.
Ze kronkelen als slangen voor alles dat gloeit.

Wij lopen als in een droom, onze wereld is schuim.
Onze verre, koele glimlach is een groet uit het land van vader,
waar de portalen overwelfd zijn met glasgroen water –
de deuren naar de eeuwige rust.

In dit gedicht duiken woorden op die ook in het werk van Johanna Kruit en ‘Nixe’ het beeld medebepalen. Zoals de watergeest van Clara Eggink voelen ook Karin Boyes kinderen van het water zich niet echt vertrouwd met de ‘groene wegen’. Ze schuwen de zon en de liefde – en hier onderscheidt het werk van Johanna Kruit zich van ‘Vattnets barn’. In haar gedichten verlangt Johanna Kruit niet alleen naar het water, maar ook naar de aarde, de lucht en de zon – de alma mater, de bron van de liefde en het licht dat een bron van wijsheid is. Dat doet Karin Boye, die veel watergedichten heeft geschreven, ook in ‘Din värme’ (‘Jouw warmte’): ‘De zwevende vogel jubelt:/ Ik leef van licht!’ Op het niveau van het oeuvre zijn bij beide schrijfsters de ‘tegengestelden’ aan elkaar gewaagd en nooit ver weg.

Literatuur
-K. Boye, Dikter, Stockholm, Albert Bonniers Förlag, 1996.
-C. Eggink, ‘Nixe’, in: D. Coster, Nieuwe geluiden, Arnhem, Van Loghum Slaterus, 19415.
-B. Gustafsson, ‘Klinga av stål – blommande gren. Kvinnosynen hos Karin Boye’, in: Horisont, jrg. 28, nr. 1, 1981, p. 66-70.
-J. Kruit, Opgeraapt aan zee, Bergen op Zoom, Doorgeverij Zinderend, 2005.
-J. Kruit, Winterdagboek, Bergen op Zoom, Doorgeverij Zinderend, 2007.
-F. Pijlman, Oldambt, Amsterdam, C.J. Aarts, 1976.
-F. Pijlman, Onder de lamp, Amsterdam, C.J. Aarts, 19763.
-B. Svanberg, ‘Längtan efter moderliga män. Könsrollsattityder hos Karin Boye’, in: K. Westman Berg, red., Könsroller i litteraturen från antiken till 1960-talet, Stockholm, Bokförlaget Prisma, 1968, p. 168-188.
-H. van Herreweghen, Het is een geur die ge moet vinden, Leuven, Uitgeverij P, 2008.



21:57 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |