16-08-10

Schoon Schip nr 3 / 2010

 

Victoria Rojas Milesi met een impressie over de aardbevingen in Chili, Bernard Schut ziet 'Mexico door Nederlandse ogen', Ellen de Jong bezoekt Bernard Dewulf (winnaar van de Libris Literatuurprijs 2010), Thierry Deleu bespreekt de bundel 'Wolken en ankers' van Hannie Rouweler, Raymond ten Berge licht een sluier op over 'Margaretha in Lieshorn'.

Gedichten van Denizé Lauture (vertaling Christina Guirlande), Anna de Bruyckere, Johanna Kruit, Catharina Boer, Jan Visser, Guy Commerman, Gronama, Deen Engels, Cleynhens Robert, Bote de Jong.

Verhalen van Lenny Peeters, René Hooyberghs, Harm Stapert, Niels Hav, Frans H. Venema.

Beeldende kunst van Suzanne De Bie, Pierre-Pol Lecouturier, Alfred Krans, Ad Breedveld.

Cover van Georgette van Noppen.

  

DE BELIJDENIS VAN DE STILTE

En in dat oneindige land, waar hij zoveel van hield, stond hij geheel alleen.” (Camus)

Ik loop langs het strand van de Stille Oceaan, er is niemand op het strand, wat vogels langs de vloedlijn, wat meeuwen in de lucht. De avond tevoren heb ik voor mijn ogen iemand zien vermoorden. De stilte die vroege ochtend is overweldigend.

Een zelfde ervaring heb ik in Joegoslavië, ergens langs de autoput. Het is begin jaren zestig, de aardbeving bij Skopje heeft zojuist plaatsgevonden, en we zijn op weg naar Griekenland. De rit duurt lang, extra lang omdat we van de toch al niet zo beste weg worden omgeleid over secundaire wegen, en het is bloedwarm. Wanneer je uren achtereen autorijdt, raak je in een soort roes, geïsoleerd van de wereld om je heen. Er zijn teveel beelden die voorbij flitsen en er is teveel lawaai. We besluiten om een kleine pauze te houden. Het is de tijd van de siësta en er zijn weinig auto’s te bekennen. We stoppen bij een kleine parkeerplaats langs de weg en we stappen zwijgend uit, duizelig van de rit en door de hitte, die als een moker op ons neerkomt.

Toen hoorde ik bij de rivier, die ik in de verte door het land zag stromen, het enkele geluid van een fluit. Een schaapherder bij zijn kudde. Het aarzelende, breekbare geluid van een fluit. Zó subtiel. Voor een moment ben je geheel alleen en ervaar je de stilte.

Camus heeft een verhaal geschreven over een overspelige vrouw, waarin het overspel eruit bestaat dat de vrouw ’s avonds haar hotel verlaat en een dergelijke natuurervaring beleeft als ik hierboven beschreef. Het verhaal speelt in het Atlasgebergte.

Je moet misschien ver gaan om een plek te vinden waar het volledig stil is. De zee, de randen van een continent, de bergen, de steppen (om ’t krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen, Slauerhoff), de woestijn. Stilte, zoals duisternis en ruimte of leegte, wordt een schaars artikel.

Ik lig op mijn rug naast mijn tent in de Namibian desert, het kampvuur brandt, en ik kijk omhoog naar de ontelbaar vele sterren die flonkeren als diamanten in de donkerblauwe sterrenhemel, de stilte ruist, een enkele keer onderbroken door het geluid van een wild dier.

 

FRISIA NON CANTAT

Vroeger werd er nog gezongen, in huis en op straat. Toen ik op de middelbare school zat, had ik een wiskundeleraar die vlak bij school woonde. Vaak liep hij luidkeels zingend naar school. Helemaal gewoon vonden de mensen dat niet, maar echt gek, dat toch ook weer niet.

Nog vroeger, toen ik nog op de lagere school zat, de jaren veertig van de vorige eeuw was dat, had je nog straatzangers. Wij woonden in Den Haag op de derde verdieping. Mijn moeder mikte dan als dank uit het raam een muntstukje naar beneden. Meestal was de man beneden op straat behendig genoeg om het op te vangen. Miste hij dan liep hij mopperend verder.

Ook bij ons thuis werd vaak gezongen. Mijn vader had een mooie stem en wilde dat graag weten.

Als kinderen zongen wij ook zelf en zeker ook op straat. Hoe zou ik anders nog straatliedjes uit mijn hoofd kennen? Op school leerde je die niet en thuis waren ze verboden. Een ervan wil ik hier maar vastleggen, het zou immers zonde zijn als deze pure volkspoëzie verloren ging.

De eerste was een jongen

De tweede was een meid

De derde kon niet lopen

En de vierde had geen tijd

De vijfde was te mager

De zesde was te dik

En de zevende had de benen

Van de achtste ingeslik(t).

 

Gevolgd door het alom bekende

Ouwe taaie jippie, jippie, jeeheehee

Ouwe taaie jippie, jippie, jee

Ouwe taaie jippi, jippie, jeeheehee

Ouwe taaie jippie, jippie, jee.

Niet echt een verrassende tekst natuurlijk, maar wel een aardige meezinger. Het gebruik van herhaling, maar dan het ritmisch gedreun, is trouwens ook een kenmerk van veel popmuziek . En het is eveneens een kenmerk van klassieke muziek, de symfonie Aus der neuen Welt van Dvorak om één voorbeeld te geven, maar er zijn er talloze te noemen. Dit echter terzijde.

Het duurde daarna tot de militaire diensttijd voor er weer eens uit volle borst gezongen kon worden. Natuurlijk vooral drinkliederen. Een genre dat, mits in de middeleeuwen geschreven, tot de literatuur wordt gerekend.

Hee, laat ons drinken en klinken,

en laat ons maken de dubbele haan,

mijn keeltje moet wijntjes drinken,

al zouden mijn voeten barrevoets gaan.

En niet alleen tot de Nederlandse literatuur, ook bijvoorbeeld de bundel Carmina Burana uit de twaalfde eeuw bevat kroegliedjes:

’t Staat geschreven dat ik eens

sterf in de taveerne,

aan mijn mond een beker wijn,

op mijn knie een deerne…

Dat waren nog eens tijden!

Vooral tijdens lange marsen werd er gezongen. Het bekendere Twee glaasjes jenever, die keken de jager aan naast het minder bekende maar minstens zo sterke Ben je besodemieterd Jan, je komt er vanavond niet meer an. Let wel, een drinklied.

Ik herinner me uit mijn diensttijd ook nog een merkwaardig rebels lied met de regels

…maar eenmaal komt de dag

dat ik het leger zal verlaten,

vervloekt zij ’t regiment,

lang leve de soldaten …

Op straat hoor je eigenlijk zelden meer zingen. Zelfs fluiten wordt zeldzaam. Wanneer je het hoort, kijk je verbaasd om: hoorde ik echt iemand zingen, floot daar werkelijk iemand? Op een bouwplaats hoor je nog wel eens een bouwvakker spontaan in een lied uitbarsten. Meestal een paar regels, dan stokt het alweer, rest van de tekst onbekend.

We zijn denk ik domweg minder vrolijk geworden. Te veel haast, te veel lawaai om je heen, te veel ergernis, te veel solisme. En ook al die Engelse songs. Gezongen wordt er alleen nog in de stadions of tijdens de Vierdaagse. En anders moet je naar de kerk of de kroeg.

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus wist het al: Frisia non cantat, in Holland daar zingen ze niet.

Bernard Schut

 

 

 

 

18:05 Gepost door François in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.